Wet DBA weer van de baan, en nu?

In het regeerakkoord staat dat de Wet DBA wordt vervangen door een andere regeling. Hoe zit dat? Moet of kunt u daar nu al op anticiperen?
Modelovereenkomsten. Als u een zzp’er inhuurt, is het van belang dat u vooraf zeker weet dat u met een echte zelfstandige zakendoet en dat u niet het risico loopt dat er een naheffing loonbelasting wordt opgelegd. U kunt daarom op grond van de Wet DBA de overeenkomst die u met een zzp’er afsluit, vooraf laten beoordelen door de Belastingdienst. Hier was veel onduidelijkheid over. Daarom was de handhaving van de Wet DBA al opgeschort tot 1 juli 2018.

Regeerakkoord. In het regeerakkoord wordt nu weer een nieuwe wet aangekondigd die u bij het inhuren van echte zelfstandigen de zekerheid moet bieden dat er geen sprake is van een dienstbetrekking.

Laag tarief. Op grond van de voorgestelde regeling zal er altijd sprake zijn van een dienstbetrekking als een zzp’er wordt ingehuurd:

  • voor reguliere bedrijfsactiviteiten;
  • voor langer dan drie maanden;
  • tegen een tarief lager dan € 15,- à € 18,- per uur.

Opdrachtgeversverklaring. Bij een vergoeding hoger dan het lage tarief, kunt u een ‘opdrachtgeversverklaring’ opvragen via een webmodule met duidelijke vragen over de aard van de werkzaamheden. Daarbij wordt de ‘gezagsverhouding’ een belangrijk punt.

Opt-outregeling. Het is mogelijk om niet te kiezen voor een dienstbetrekking (opt-out) als:

  • het afgesproken tarief hoger is dan circa € 75,- per uur;
  • het contract korter dan een jaar duurt;
  • er geen reguliere bedrijfsactiviteiten worden verricht.

Vanaf wanneer? De invoering van deze nieuwe regeling gaat nog wel even duren. Hopelijk lukt het nu wel om dit goed te regelen. In afwachting daarvan is het raadzaam om zo veel mogelijk gebruik te blijven maken van bestaande modelovereenkomsten.

De nieuwe regeling laat nog wel even op zich wachten. Blijf in afwachting daarvan zo veel mogelijk gebruikmaken van bestaande modelovereenkomsten.

Afkoop pensioen in eigen beheer zonder uitbetaling

Heeft u ervoor gekozen om uw pensioen in eigen beheer af te kopen, dan is deze afkoop belast. Wel profiteert u van een belastingkorting. Hoe hoog die is, hangt af van het afkoopmoment.

Maar wat nu als uw bv de netto afkoopsom niet aan u uitbetaalt maar schuldig blijft? Uit antwoorden van de Belastingdienst blijkt dat deze schuldigerkenning geen effect heeft op het te betalen belastingbedrag bij afkoop.

Afkoop met belastingkorting

Nu het niet langer is toegestaan om pensioen in eigen beheer op te bouwen, heeft u de keuzemogelijkheid om u reeds in eigen beheer opgebouwde pensioen in 2017, 2018 of 2019 tegen de fiscale waarde af te kopen. Deze afkoop is belast, maar u krijgt wel een belastingkorting. In 2017 is dit 34,5%. Er is dan loonheffing verschuldigd over 65,5% van de fiscale waarde van de pensioenaanspraak op 31 december 2015. De waardestijgingen na die datum zijn volledig belast. In 2018 bedraagt de belastingkorting 25% en in 2019 19,5%.

De bv moet over het afkoopbedrag (afkoopwaarde minus de belastingkorting) loonheffing inhouden en afdragen aan de Belastingdienst. Dit afkoopbedrag kwalificeert als loon uit vroegere dienstbetrekking. Bovendien moet uw bv de netto afkoopsom aan u uitbetalen.

Schuldigerkenning

Stel nu dat de bv niet voldoende financiële middelen heeft en daarom deze afkoopsom aan u schuldig blijft. U krijgt dan een vordering op uw bv. Gezien de financiële situatie is deze vordering lager dan de nominale waarde van de netto afkoopsom. Dat roept de vraag op of voor de berekening van de verschuldigde loonheffing bij afkoop mag worden uitgegaan van deze lagere waarde. Het antwoord is nee. De lagere waarde is niet van invloed op de verschuldigde belasting. Er moet gewoon loonheffing worden ingehouden en afgedragen over de afkoopwaarde van de pensioenaanspraak minus de belastingkorting, ongeacht de beperkte financiële middelen van de bv.

Een youngtimer, ook iets voor u?

De laatste tijd is er in de media veel aandacht besteed aan ‘youngtimers’. Het zou voordelig zijn om zo’n youngtimer als auto van de zaak te nemen. Hoe zit dit nu eigenlijk? Waar moet u op letten?

Bijtelling privégebruik auto van de zaak

22% van de cataloguswaarde. Als u een auto van uw BV rijdt die u op jaarbasis voor meer dan 500 kilometer privé gebruikt, dan krijgt u te maken met een bijtelling bij uw inkomen: een bepaald percentage van de (oorspronkelijke) cataloguswaarde van de auto. Het percentage hangt af van de CO2 -uitstoot, maar is maximaal 22%. Bij een auto met een nieuwprijs van € 60.000,- is de bijtelling dan € 13.200,-. Als u in het hoogste belastingtarief (52%) valt, kost u dat € 6.864,- per jaar.

Let op. Voor auto’s aangeschaft voor 2017, kan nog een bijtellingspercentage van 25% gelden.

Youngtimer

Ouder dan 15 jaar. Het vorenstaande geldt niet alleen als de auto nog geen vijf jaar oud is, maar ook als die al lang is afgeschreven. Om de scherpe kantjes daarvan af te halen, geldt er een speciale regeling voor auto’s die ouder zijn dan 15 jaar: de youngtimer.

Bijtelling 35% van de dagwaarde. Daarvoor geldt een bijtelling op basis van de dagwaarde (de prijs die u bij aankoop betaalt). Zelfs als het gaat om een auto die oorspronkelijk vele honderdduizenden euro’s kostte. Het bijtellingspercentage is met 35% wel veel hoger, maar doordat de dagwaarde fors lager is, is de bijtelling toch veel lager. Als u een youngtimer koopt voor € 10.000,-, bedraagt de bijtelling maximaal € 3.500,-. In de hoogste belastingschijf kost de auto u in privé dan € 1.820,-.Tip.  Koopt u een auto die 14 jaar en negen maanden oud is, dan vindt de eerste drie maanden nog bijtelling op basis van de cataloguswaarde plaats, daarna op basis van uw aankoopprijs.

Aandachtspunten

Comfort. Het comfort van de huidige auto’s zal over het algemeen beter zijn. Er zijn echter ook tal van luxe youngtimers beschikbaar die over voldoende comfort beschikken.

Hoge onderhoudskosten. Wel kunnen oudere auto’s met hoge onderhoudskosten te maken krijgen. Deze zijn weliswaar fiscaal aftrekbaar voor uw BV, maar doen wel afbreuk aan uw financiële voordeel. Let op. Let bij de aanschaf dan ook op de onderhoudshistorie van de auto en doe zaken met een betrouwbare verkoper.

Milieuzones. Steeds meer steden voeren milieuzones is. Mocht u overwegen een youngtimer aan te schaffen, bedenk dan dat deze mogelijk niet zal voldoen aan de eisen die vandaag de dag aan de uitstoot worden gesteld om in een milieuzone te mogen rijden.

Hoe zit het met de btw?

Correctie privégebruik. Ook voor de btw moet uw BV rekening houden met het privégebruik. De correctie van 2,7% wordt ongeacht de leeftijd van de auto in beginsel gebaseerd op de (oorspronkelijke) cataloguswaarde van de auto. Als u echter kunt onderbouwen dat de werkelijke correctie lager is, dan mag u daarvan uitgaan. Na vier jaar (na het jaar van aanschaf) mag er worden uitgegaan van een btw-correctie van 1,5%.

Margeauto. Doorgaans zal de youngtimer een ‘margeauto’ zijn, waarbij er geen btw op de aankoopfactuur wordt vermeld. Dan is niet het hoge percentage van 2,7% van toepassing, maar het lagere van 1,5% om de privécorrectie te bepalen.

Wet DBA gaat op de schop!

 

Het nieuwe kabinet wil af van de Wet DBA. Deze in 2016 ingevoerde wet ter vervanging van de VAR (Verklaring arbeidsrelatie) zorgt voor teveel onzekerheid en onrust onder zzp’ers en hun opdrachtgevers. In plaats daarvan komt er een nieuwe wet die opdrachtgevers en echte zzp’ers de zekerheid geeft dat geen sprake is van een dienstbetrekking. In de tussentijd blijft de handhaving van de Wet DBA opgeschort.

Van DBA naar nieuwe wet

Het nieuwe kabinet heeft dit plan voor een nieuwe ‘zzp-wet’ aangekondigd in het op dinsdag 10 oktober 2017 gepresenteerde regeerakkoord. Het plan moet dus nog verder worden uitgewerkt in een wetsvoorstel. De hoofdlijnen zijn al wel bekend. Het kabinet heeft drie categorieën van zzp’ers voor ogen:

  • De zelfstandige die werkt tegen een laag tarief in combinatie met een overeenkomst van langer dan drie maanden dan wel in combinatie met het verrichten van reguliere werkzaamheden. In dat geval is altijd sprake van een arbeidsovereenkomst. Een laag tarief zal ergens liggen tussen de € 15 en € 18 per uur.
  • De zelfstandige die werkt tegen een hoog tarief van meer dan € 75 per uur in combinatie met een overeenkomst korter dan één jaar dan wel in combinatie met het niet verrichten van reguliere werkzaamheden. Het kabinet biedt in dit geval een ‘opt out’. Dat wil zeggen dat de zzp’er en zijn opdrachtgever met elkaar overeenkomen dat er geen loonheffingen worden ingehouden.
  • De zelfstandige die tussen het lage en hoge uurtarief in zit. Het kabinet wil hiervoor een ‘opdrachtgeversverklaring’ invoeren. Voor die verklaring moet de opdrachtgever een aantal duidelijke vragen beantwoorden over de arbeidsrelatie met de zzp’er. Als daaruit komt dat geen sprake is van een dienstverband, dan heeft de opdrachtgever de zekerheid dat hij geen loonbelasting en premies hoeft in te houden en af te dragen. Uiteraard moeten de vragen dan wel naar waarheid zijn beantwoord.

Handhaving opgeschort

Het duurt nog wel even voordat de nieuwe wet kan worden ingevoerd. In het regeerakkoord geeft het nieuwe kabinet aan dat de Belastingdienst tot die tijd niet zal handhaven op de wet DBA. Dat betekent dat de Belastingdienst geen naheffingen, boetes of correctieverplichtingen voor de loonheffingen zal opleggen als achteraf wordt geconstateerd dat toch sprake is van een dienstbetrekking tussen zzp’er en opdrachtgever. Er wordt alleen gehandhaafd bij kwaadwillendheid. Na invoering van de nieuwe wet wordt het niet-handhaven op de Wet DBA geleidelijk afgebouwd. Zo heeft iedereen straks voldoende tijd om te wennen aan nieuwe regels.

Let op! Het oude kabinet had de handhaving van de Wet DBA opgeschort tot in ieder geval 1 juli 2018. Het nieuwe kabinet schort dit nu verder op.

Nieuw kabinet draait schijfverlenging VPB terug

Het nieuwe kabinet zet in het regeerakkoord alvast een streep door de al definitieve schijfverlenging van de komende jaren in de vennootschapsbelasting. Daarvoor in de plaats komt een tariefsverlaging. Pikant detail is dat deze stapsgewijze verlaging pas in 2019 start, terwijl de schijfverlenging zou ingaan per 2018.

Voorstel tariefsverlaging vennootschapsbelasting

Per saldo is uw bv bij een gelijkblijvende winst in 2018 daardoor niet minder vennootschapsbelasting verschuldigd dan in 2017. Uw bv betaalt over de eerste € 200.000 winst 20% belasting. Dit winstbedrag zou in 2018 uitkomen op € 250.000, in 2020 op € 300.000 en in 2021 op € 350.000. Het nieuwe kabinet draait in het regeerakkoord deze schijfverlenging terug, zodat ook na 2017 de schijfgrens € 200.000 bedraagt. In plaats daarvan worden de tarieven van 20% en 25% in de vennootschapsbelasting stapsgewijs verlaagd naar 16% en 21%. Die tariefsverlaging start vanaf 2019. Vanaf dat jaar is uw bv bij een gelijkblijvende winst wél minder vennootschapsbelasting verschuldigd dan nu het geval.

In schema betekent het voorstel van het nieuwe kabinet het volgende:

Voorstel tarief vennootschapsbelasting
Resultaat tarief 
Van  Tot  2018 2019 2020 2021
€ 200.000 20% 19% 17,5% 16%
€ 200.001 25% 24% 22,5% 21%

Let op!
De stapsgewijze tariefsverlaging naar uiteindelijk 16% en 21% in 2021 is aangekondigd in het regeerakkoord, maar moet nog worden opgenomen in een wetsvoorstel waarmee vervolgens de Tweede en Eerste Kamer moeten instemmen. Het duurt dus nog even voordat de tariefsverlaging definitief is.

Verliesverrekening verder aan banden

Om deze tariefsverlaging te bekostigen, wil het nieuwe kabinet onder andere de verliesverrekening voor bedrijven verder beperken. Heeft uw bv een verlies geleden dan is dit verlies nu verrekenbaar met de belastbare winst uit het voorgaande jaar (carry-back) of met de winsten uit de komende negen jaar (carry-forward). Die carry-forward-termijn gaat, als het aan het nieuwe kabinet ligt, naar zes jaar.

Let op!
De in het regeerakkoord aangekondigde beperking van de verliesverrekening gaat niet gelden voor ondernemers in de inkomstenbelasting. Een ondernemingsverlies blijft verrekenbaar in box 1 met positieve inkomsten uit de drie voorafgaande jaren en de negen volgende jaren.

Samen een bedrijf. Beiden recht op zelfstandigenaftrek?

Als partners samen in een vof of maatschap een bedrijf uitoefenen, kunnen ze in beginsel ook allebei recht hebben op ondernemersfaciliteiten, zoals de zelfstandigenaftrek.

Voor een aantal ondernemersfaciliteiten, waarvan de zelfstandigenaftrek één van de belangrijkste is, geldt als eis dat de ondernemer minstens 1.225 uur per jaar in het bedrijf werkt én minstens de helft van de werkzame uren.

Als echtgenoten of partners samen in een vof of maatschap zitten, mogen de gewerkte uren niet meer dan 70% ondersteunend van aard zijn, anders tellen deze niet mee. Bij werkzaamheden van ondersteunende aard moeten we bijvoorbeeld denken aan het verzorgen van de administratie en aan schoonmaakwerkzaamheden. Het is dus van belang dat de kerntaken van de onderneming zoveel mogelijk door beide echtgenoten worden uitgevoerd.

Oppassen met inhuren van zzp’ers?

Zoals bekend, is de handhaving van de Wet DBA opgeschort tot 1 juli 2018. Uit twee interne memo’s zou blijken dat de fiscus toch al strenger handhaaft.
Modelovereenkomst voorleggen. Als u een zzp’er inhuurt, dan is het fijn als u zeker weet dat de Belastingdienst niet achteraf stelt dat er geen sprake was van zelfstandigheid en u een naheffing loonbelasting oplegt. U kunt daarom de overeenkomst die u met een zzp’er afsluit vooraf laten beoordelen door de Belastingdienst. Er zijn inmiddels al 1.975 modelovereenkomsten goedgekeurd, maar er zijn er ook veel afgekeurd …

Handhaving Wet DBA opgeschort. De staatssecretaris van Financiën heeft inmiddels de handhaving van de Wet DBA (die deze werkwijze regelt) opgeschort tot 1 juli 2018.

Wanneer wel handhaving? In eerste instantie heeft de staatssecretaris gezegd dat hij de wet alleen zal handhaven bij ‘evident kwaadwillenden’. Daarbij gebruikte hij termen als ‘fraude’ en ‘zwendel’. Onlangs zijn er echter twee interne memo’s van de Belastingdienst openbaar gemaakt die suggereren dat er toch al veel sneller gehandhaafd zou worden. Dat zou al het geval zijn als een modelovereenkomst die is voorgelegd en is afgekeurd, niet wordt aangepast. Het zou daarom verstandig zijn om geen modelovereenkomsten meer voor te leggen.

Reactie staatssecretaris. De staatssecretaris heeft als volgt gereageerd op de ophef over de mogelijke strengere handhaving: “Voor iedereen die zich normaal gedraagt in dit land, is de handhaving opgeschort tot de volgende zomer (…). Ook als je een overeenkomst hebt waar je je niet aan houdt en er wel een dienstbetrekking is, dan is er nog een aparte toets of je een evident kwaadwillende bent.” Het aantal gevallen waarin er gehandhaafd zal worden, is volgens de staatssecretaris op twee handen te tellen. Het niet volledig werken volgens goedgekeurde modelovereenkomsten zal niet meteen leiden tot naheffingen en boetes. Let op.  Het lijkt er dus niet op dat men voortaan strenger zal gaan handhaven. In de praktijk blijkt dat de Belastingdienst toch wel afwachtend is, omdat men ook niet weet hoe het verdergaat. Het voorleggen van modelovereenkomsten heeft daarom vaak niet veel zin.

Keuzevermogen met terugwerkende kracht

De woning van een ondernemer is vaak keuzevermogen. Bij de overgang naar een BV kunt u in bepaalde gevallen fiscaal munt slaan uit een waardedaling of een waardestijging van uw woning. Hoe pakt u dit aan en wat levert het op?

Woning zakelijk gebruikt. Indien u als ondernemer uw woning voor meer dan 10% zakelijk gebruikt, dan vormt deze keuzevermogen. U kunt de woning dan naar keuze als privé- of als ondernemingsvermogen aanmerken. Besluit u later over te stappen naar een BV, dan kan er in bepaalde gevallen een fiscaal voordeel worden behaald.

Overstap naar BV

Boekwinst of -verlies. Merkt u uw woning als ondernemingsvermogen aan, dan is een boekwinst bij verkoop belast en een boekverlies aftrekbaar. Dit is niet het geval als u uw woning als privévermogen aanmerkt.

Fiscale afrekening. Stapt u over naar de BV, dan is dit fiscaal gezien een staking van uw onderneming. Het gevolg is dat u in beginsel af moet rekenen over een eventuele boekwinst op uw activa, waaronder uw woning (indien u deze als ondernemingsvermogen heeft aangemerkt). Boekverliezen leiden tot aftrek.

Kunt u nog op uw keuze terugkomen?

Keuze definitief. De keuze om uw woning als ondernemings- of als privévermogen aan te merken, is vrij definitief. U kunt dus niet bij een waardestijging of -daling op uw eerdere keuze terugkomen om hiervan fiscaal te profiteren.

Tenzij aanslag nog niet definitief is. Dit kan slechts zolang uw keuze om uw woning als privé- of als ondernemingsvermogen aan te merken, nog geen definitieve fiscale gevolgen heeft gehad. U kunt dus op uw keuze terugkomen, zolang de aanslagen die door deze keuze beïnvloed worden nog niet definitief vaststaan. Zoals bekend, kan de definitieve aanslag bij ondernemers nogal op zich laten wachten, dus dat biedt mogelijkheden.

Het ideale scenario

In het ideale scenario is een waardestijging van uw woning onbelast, en een eventuele waardedaling fiscaal aftrekbaar. Dit scenario is mogelijk als u bij de start van uw eenmanszaak uw woning tot het privévermogen rekent en deze in waarde stijgt. De waardestijging is dan onbelast. Omgekeerd leidt een waardedaling tot aftrek indien u de woning bij de start van uw onderneming als ondernemingsvermogen aanmerkt.

Voorbeeld.U start in 2014 een eenmanszaak en rekent uw woning tot uw privévermogen. In 2017 besluit u de BV in te gaan. Uw woning is tussen 2014 en 2017 inmiddels met € 80.000,- in waarde gedaald. Omdat u de woning tot uw privévermogen rekende, leidt deze waardedaling niet tot een aftrekbaar verlies.Tip.Als uw aanslagen over 2014 t/m 2016 echter nog niet definitief vaststaan, dan kunt u uw keuze nog herzien. Uiteraard besluit u dan uw woning alsnog tot het ondernemingsvermogen te rekenen. De waardedaling van € 80.000,- leidt dan tot een even groot verlies.

Voorkennis niet van belang. Volgens een uitspraak van de Hoge Raad, 21.03.2003 (HR:2003:AF6128) , beperkt het feit dat u van tevoren weet dat u overstapt naar de BV, niet uw keuzevrijheid om uw woning al dan niet als ondernemingsvermogen aan te merken. Relevant is dus slechts of uw keuze al definitieve gevolgen voor uw aanslagen in het verleden heeft gehad. Dit is onlangs nog bevestigd door het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 05.05.2017 (GHARL:2017:3305) .

Btw-verlegging verplicht voor telecommunicatiediensten per 1 september 2017

Vanaf 1 september 2017 geldt een verplichte verlegging voor telecommunicatiediensten. Het benodigde besluit is op 31 augustus 2017 geplaatst in het Staatsblad.

Deze verleggingsregeling geldt alleen als de plaats van de telecommunicatiedienst in Nederland is en ziet alleen op de dienstverrichting tussen ondernemers die ook deze telecommunicatiediensten verrichten. De dienstverrichting naar eindgebruikers valt dus buiten de reikwijdte. Tot die eindverbruikers in dit kader ook ondernemers die dergelijke diensten aanschaffen om ze zakelijk binnen de eigen organisatie te verbruiken.

Inrichtingseisen voor zakelijke bestelauto’s

Voor bepaalde bestelauto’s van de zaak geldt geen forfaitaire bijtelling in de loon- of inkomstenbelasting. Het gaat dan om bestelauto’s die naar aard of inrichting (nagenoeg) uitsluitend (90% of meer) geschikt zijn voor het vervoer van goederen. Volgens de Belastingdienst behoort een aantal bestelauto’s zonder dubbele cabine tot deze categorie. Dit blijkt uit documenten die zijn vrijgegeven naar aanleiding van een verzoek op grond van de Wet openbaarheid van bestuur.

Zonder dubbele cabine

De forfaitaire bijtelling geldt niet voor:

  • Een bestelauto waarvan de bijrijdersstoel is verwijderd en de bevestigingspunten van de bijrijdersstoel zijn weggeslepen of dichtgelast.
  • Een bestelauto waarvan het vloeroppervlak van de laadruimte 90% of meer van het totale vloeroppervlak bedraagt.
  • Een bestelauto die zo groot is dat deze niet in een parkeergarage past, die is voorzien van stellingen en waarvan de bijrijdersstoel functioneel is voor het laden en lossen, met andere woorden als de bijrijder ook meerijdt om andere hoofdwerkzaamheden van de onderneming uit te voeren.

Belang van bijrijdersstoel

Hoe groter de auto of hoe specifieker de aanpassingen van de auto aan de aard van de onderneming, des te geringer wordt het belang om de bijrijdersstoel te gebruiken. Volgens de Hoge Raad was bij een hoogte van 2,6 meter en een lengte van ongeveer 6,5 meter de aanwezigheid of het gebruik van een tweede stoel in de cabine niet relevant. De bijtelling geldt ook niet voor bestelauto’s die door ernstige vervuiling of vanwege de stank niet geschikt zijn voor privégebruik. Dan wordt ook niet gekeken naar de rol van de bijrijdersstoel.